De geschiedenis van de uitvaart

18-06-2014

Als uitvaartondernemer hoor ik vaak van mensen buiten dit vak dat men denkt dat er niets veranderd in deze branche. Toch zien we naar mijn mening vooral het laatste decennium veel verandering in gebruiken, rituelen en vooral mogelijkheden. Stond vroeger deze branche dan stil en is verandering in dit vak puur iets van deze tijd?

Graag wil ik u even meenemen in de geschiedenis; en dan specifiek: De recente begrafenishistorie zoals we die hier de afgelopen eeuw in Nederland hebben beleefd.

Het woord uitvaart is overigens een vertaling van het Latijnse ‘Exequiae’ wat zoveel betekent als ‘De optocht van het lijk en hen die het lijk volgen’.

Hoewel velen vaak anders denken is het vak begrafenisondernemer zoals we dat heden ten dage kennen een relatief jong beroep. Nog geen eeuw geleden werden de zaken omtrent een begrafenis namelijk nog vaak geregeld door; een timmerman voor de kist, een aanspreker voor de bekendmaking van een overlijden, een rijtuigverhuurder/stalhouder voor de lijkkoets en een grafdelver voor het graf. De buren van een overledene hadden echter vaak de zwaarste taak. Zij hadden zogenaamde ‘burenplicht’ en er werd van hen verwacht dat zij in het sterfhuis o.a. de gordijnen sloten, de klok stil zetten en de spiegel bedekten (anders zou er snel nog een overlijden kunnen plaatsvinden) en in veel streken gingen zij i.p.v. een aanspreker langs de deuren om het slechte nieuws te brengen want in plaats van rouwkaarten versturen werd dit dus gewoon heel persoonlijk aan de deur verteld.

Ook waren het vaak de buren die als er geen geld was voor een lijkkoets de kist moesten dragen. Er gingen dan vaak twee stoelen mee zodat men even kon uitrusten en de kist op de twee stoelen kon zetten zodat hij niet op de grond hoefde te staan. Het was gebruikelijk dat deze dragers al vóór de kerkdienst beloond werden met een flink glas alcohol. Ook tijdens het aanzeggen vloeide de alcohol rijkelijk omdat men steeds werd uitgenodigd om binnen te komen nadat men het nieuws had gebracht en er dus glazen op tafel kwamen. U begrijpt dat het voor de buren dus nog helemaal niet zo’n slechte ervaring moet zijn geweest als de buurman stierf! De opbaring van de overledene vond plaats in de beste kamer van het sterfhuis (het huis waar de overledene zich bevindt) want mortuaria bestonden toen nog niet en men vond het toen nog heel gewoon om een overledene in huis te hebben omdat men dat al eeuwen de gewoonte was. Wassen en kleden van de overledene werd vaak gedaan door een vroedvrouw. Zo zorgden vroedvrouwen dus voor de entree in deze wereld maar ook voor het vertrek uit deze wereld. Een overledene werd vaak dezelfde dag of de dag erna reeds ter aarde besteld. Inmiddels zijn we drie stadia verder. Eerst moesten we binnen drie dagen, toen vijf dagen en nu pas na zes (werk)dagen na overlijden de overledene begraven of cremeren. De huidige termijn die wij nu dus sinds een aantal jaar in Nederland hebben (zes werkdagen, en weekenden tellen dus niet eens mee..) is zeer royaal naar mijn menig en dat geeft veel mogelijkheden.

Rond het einde van de negentiende eeuw zien we de eerste begrafenisondernemingen of ook wel ‘aannemers der begrafenissen’ ontstaan in Nederland. Er ontstaat dan één aanspreekpunt waar alle diensten worden ondergebracht. Vaak was dit van origine een van de vakmensen waar ik eerder over sprak. Bijvoorbeeld de koster van de kerk die sowieso al eerder aanwezig moest zijn voor hand en spandiensten in de kerk, of de rijtuigverhuurder die vaak toch al de ruimte had voor opslag van bijvoorbeeld kisten en natuurlijk koetsen en paarden bezat.

Wij kenden vroeger zogenaamde ‘klassen’ begrafenissen. Voornamelijk eerste, tweede, derde, vierde en vijfde klasse begrafenissen. Om een voorbeeld te geven; Als men rond 1900 koos voor een eerste klasse begrafenis kreeg men het duurste model lijkkoets met een vierspan ervoor, een Berline volgkoets, twaalf aparte dragers, een voorloper, meerdere aansprekers en de zogenaamde ‘huilers’, mannen die voor wat geld professioneel (dus zonder de overledene ook maar gekend te hebben) al huilend meeliepen in de rouwstoet. Dat zag natuurlijk prachtig uit voor de kijkers langs de kant, al die huilende mensen..(tegenwoordig kijkt men graag op TV naar het verdriet van anderen, dus zoveel is er niet veranderd). Dit alles kostte dan de lieve som van veertig gulden. Een vijfde klasse begrafenis bestond uit; Een eenvoudige lijkkoets met één paard, vier dragers en één aanspreker. Dit alles kostte bij elkaar 8 gulden. Dat waren voor die tijden toch aanzienlijke bedragen. Dit is ook de reden geweest dat er veel begrafenis ’verenigingen’ gesticht werden voor de arbeiders om zo samen te kunnen sparen voor de begrafenis van ieder. Deze verenigingen welke vaak voortkwamen uit eerdere beroepsgilden, waren er vaak per wijk of dorp. Zo kennen we heden ten dage nog steeds veel van deze zogenaamde begrafenis-fondsen. Rond de jaren ‘20/’30 ontstonden in Nederland de eerste begrafeniscoöperaties om op deze manier samen .

Een van de grootste ontwikkelingen in dit vak is naar mijn mening dat er uiteindelijk zo rond de jaren vijftig mortuaria (chapelle ardente) in ziekenhuizen ontstaan en in de jaren daarna de mortuaria bij begrafenisondernemingen zelf. Thuisopbaringen vonden hierdoor steeds minder plaats. Op deze manier werd ‘de dood’ steeds een klein beetje meer bij de families weggehaald en doet heden ten dage de familie (laat staan de buren) bijna niets meer zelf als er een naaste overlijdt. De dood werd ‘verzakelijkt’ en letterlijk buiten de deur gehouden, en hoe gewoon eigenlijk de dood vroeger was, hoe meer het een bijna eng en luguber randje kreeg, grotendeels vanwege het onbekende. Terwijl het uiteindelijk een van de meest gewone zaken op aarde is.

Via een kennis kreeg ik in 2009 de kans om in London bij een van de oudste begrafenisondernemingen ter wereld te gaan werken. Dit heb ik met beide handen aangepakt en sinds die tijd maak ik een paar keer per jaar de oversteek naar deze ‘funeral directors’ in London. Dit bedrijf staat zeer hoog aangeschreven en mag bijvoorbeeld als enige de repatriëringen van gevallen soldaten in Afghanistan en Irak uitvoeren voor de Britse staat. Het rouwvervoer is in het Verenigd Koninkrijk al sinds eeuwen van erg groot belang binnen een uitvaart. Met een Daimler of Jaguar de laatste reis maken is voor velen van groter belang dan welke kist men kiest of naar welk crematorium men gaat. Ook maken zij buiten het moderne rouwvervoer weer steeds meer gebruik van de oude Victoriaanse gebruiken en tradities. De koetsen komen daar dus bijvoorbeeld regelmatig van stal en zij hebben inmiddels ook weer Friese paarden uit Nederland die vaak ingezet worden.

Zelf maak ik ook graag gebruik van de oude tradities maar zeker ook van nieuwe rituelen zodat de uitvaart volledig op de overledene (en nabestaanden) afgestemd en vooral ‘op maat’ is.

Sinds 1906, maar waarschijnlijk zelfs al eerder hadden mijn voorouders (en broers van mijn overgrootvader) een stalhouderij en rijtuigverhuurbedrijf aan de Willemstraat in Heerlen. Rond 1915 hebben zij ook een begrafenisonderneming opgericht. Dit ben ik bij de Kamer van Koophandel nagegaan en heb de oude papieren inschrijvingen opgevraagd. De firmanaam was; Gebroeders Vrouenraets, Eerste Heerlensche Begrafenis Onderneming oftewel de E.H.B.O. Jarenlang waren zij een van dé begrafenisondernemingen van Heerlen en werkten in heel Zuid-Limburg en verzorgden ook internationaal vervoer. Helaas was er nadat alle broers waren gestorven geen opvolging want mijn opa had inmiddels zijn eigen bedrijf als aannemer gestart terwijl hij vroeger in de begrafenisonderneming meewerkte. Inmiddels heb ik heel wat oude advertenties en rekeningen kunnen terugvinden en ben er reuzetrots op dat het bloed van dit mooie vak ook nog steeds door mijn aderen stroomt en begrijp ik eens te meer waarom ik al mijn hele leven zoveel liefde en respect heb voor dit metier.

Door: Rainier Vrouenraets

Link van de website: http://www.deuitvaartzaak.nl/

  

<< Terug